Home|Contact   
Achtergronden
Achtergronden

Een nieuw schip voor De Ruyter: De 7 Provinciën

© Ad van der Zee

De 7 Provinciën was het schip waarmee Michiel De Ruyter zijn grootste militaire successen behaalde. Het werd in 1664-1665 gebouwd in Rotterdam. In dit artikel zullen we uitvoerig kijken naar de omstandigheden waaronder het schip oorspronkelijk werd gebouwd en in gebruik genomen.

 

Aan de vooravond van de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667)

In de zomer van 1664 kwamen voor het eerst sinds jaren de Heren van het zogeheten Haags Besogne weer bijeen. Deze heren, de `gedeputeerden tot de zee en de Engelse saecken' hadden van de Staten-Generaal de opdracht ontvangen om te bezien hoe op korte termijn opnieuw een oorlogsvloot kon worden samengesteld. Het Haags Besogne was het overlegorgaan tussen de afgevaardigden van de Staten-Generaal en de vertegenwoordigers van de admiraliteiten en had onder meer als taak de Staten-Generaal te adviseren over de uitrusting en inzet van de vloot. Sinds het midden van de jaren '50 waren zij niet geregeld bijeen geweest, maar sinds kort waren er tekenen die er op wezen dat Engeland niet van plan was zich neer te leggen bij de Nederlandse hegemonie in de wereldhandel. Eind 1663 had een Engelse vloot Nederlandse forten in West-Afrika aangevallen en ingenomen en eind 1664 veroverden de Engelsen ook verschillende Nederlandse bezittingen in Noord-Amerika en het Caribisch gebied. Deze situatie vereiste alertheid en, mogelijk, de inzet van oorlogsschepen.

De Nederlandse marine beschikte tot halverwege de 17de eeuw nog geenszins over een vaste vloot. Oorlogsschepen werden veelal pas gebouwd en uitgerust als er sprake was van een directe dreiging; na afloop hiervan werden de schepen dan ofwel verkocht of afgedankt. Na de Eerste Engelse Oorlog van 1652-1654 had men evenwel besloten een vaste vloot aan te houden met het oog op een eventuele hervatting van de vijandelijkheden. In 1664 bevonden niet veel schepen zich in staat van paraatheid. Een dertigtal, waaronder het vlaggeschip Eendracht, was als het ware `gestald', zonder bemanning en voorraden, op de rede van Texel en in de haven van Hellevoetsluis.
Naast deze slapende vloot beschikte de Republiek over schepen die door de admiraliteiten wel actief in de vaart werden gehouden. Deze hadden de opdracht om de koopvaardijschepen van onder meer de VOC te beschermen tegen aanvallen van zeerovers en kapers van buitenlandse mogendheden en ze veilig in Europese wateren te konvooien. Een eskader van deze konvooi-schepen bevond zich in 1663/1664 in de Middellandse Zee en stond onder bevel van De Ruyter.

Omdat in augustus 1664 een retourvloot uit Azië werd verwacht en de Engelsen de laatste jaren al vaker Nederlandse handelsschepen in beslag hadden genomen, adviseerde het Haags Besogne aan de Staten-Generaal om de dertig tijdelijk opgelegde schepen uit de `stalling' te halen, spoedig weer in gereedheid te brengen en toe te voegen aan 's Lands Vloot. De Eendracht, nu bemand met 300 bootsgezellen en 75 soldaten, was het vlaggeschip van deze vloot die onder bevel stond van luitenant-admiraal Jacob van Wassenaar, heer van Obdam (1610-1665). In dezelfde periode zette De Ruyter vanuit de Middellandse Zee koers naar West-Afrika om de forten op de kust van Guinee op de Engelsen te heroveren. Dit lukte en de Engelsen leden een zware nederlaag. Alles wees er nu op dat men in Engeland op wraak zon. De oorlogsdreiging was reëel en begin 1665 brak het conflict, de Tweede Engelse Zee-oorlog, dan ook daadwerkelijk uit. 

naar boven

`Vierentwintich Capitale schepen van Oorloge'

Tegen de achtergrond van bovengenoemde oorlogsdreiging is het niet verwonderlijk dat op 17 november 1664 door de Staten-Generaal, op voorstel van de Staten van Holland, werd besloten de bestaande oorlogsvloot aanzienlijk te versterken en uit te breiden. Niet alleen zouden achttien buiten gebruik gestelde schepen worden opgeknapt en weer in de vaart gebracht, ook zouden schepen worden gehuurd van de VOC. In haar totaliteit zou een vloot van 72 schepen voor het eind van de winter gereed moeten zijn. De kosten bedroegen voor één jaar 6,4 miljoen gulden (7500 gulden gemiddeld per schip). Daarnaast werd besloten tot de bouw van nieuwe schepen. Vierentwintig `Capitale schepen van Oorloge' moesten er komen. Eén van deze nieuw te bouwen schepen zou later de naam 7 Provinciën krijgen en gedurende vele jaren een belangrijke rol spelen binnen 's Lands Vloot.
De persoon die beschouwd moet worden als het brein achter deze vlootplannen was raadpensionaris Johan de Witt (1625-1672). Reeds lange tijd had hij ervoor gepleit de vloot zodanig te versterken dat de Nederlandse belangen wereldwijd op een adequate manier konden worden beschermd, maar vooralsnog zonder veel resultaat. Hij had daarbij met name tegenwerking ondervonden van de kant van de landgewesten (Gelderland, Utrecht en Overijssel) die hun geld liever besteedden aan het in stand houden van een sterk leger. Daarbij meenden zij -misschien niet geheel ten onrechte- dat De Witt met zijn plannen vooral de Hollandse belangen op het oog had.
Holland en Zeeland waren de gewesten die De Witt altijd hadden gesteund in zijn plannen. De dreiging van een hernieuwde oorlog met Engeland deed nu toch ook de landgewesten overstag gaan. Voor de bouw van 24 nieuwe schepen trokken de Staten-Generaal aanvankelijk twee, later zelfs drie miljoen gulden uit. De Witts bemoeienis met deze nieuwe vloot mag beslissend worden genoemd. Tussen augustus en oktober 1664 werd het besluit voor de bouw van nieuwe schepen zorgvuldig door De Witt voorbereid, eerst binnen de Staten van Holland, in zijn functie als pensionaris van Holland, daarna als raadpensionaris in de Staten-Generaal, om zo breed mogelijke steun te verwerven voor zijn vlootplannen. Later treffen we hem geregeld aan boord van de nieuwe schepen ter inspectie; ook voer hij meer dan eens een stuk mee. Overigens besloten de Staten-Generaal in maart 1665 tot de bouw van opnieuw 24 oorlogsschepen, en eind 1666 zouden er nog eens 12 nieuwe op stapel worden gezet. In korte tijd werd zo de vloot van de Republiek uitgebouwd tot een ontzagwekkende zeemacht.

Op 30 oktober 1664 kwam de nieuwbouw ter sprake binnen de Staten van Holland, waar op aanwijzing van pensionaris Johan de Witt werd besloten dat nieuwe oorlogsschepen zó groot zouden worden gebouwd als de fysieke mogelijkheden van de Nederlandse kustwateren zouden toelaten:

`[...] dat de voorschreven scheepsch hollen op de alderdurabelste ende proffitabelste wijse gebouwt, ende van soo grooten charter, als de gelegentheidt van desen staet, ende van de zeegaeten van de selve sal connen lijden, aengeleijdt mogen werden, voornamentlijck dat deselve naer proportie van meerder lengte gemaeckt mogen werden als die gene die in de jaeren 1659 ende 1654 bij ordre van den staet gebouwt sijn geweest.'
(Resolutie dd. 30/10/1664; Archief Staten van Holland, ARA Den Haag, inv. nr. 1270)
Begin december 1664 kwamen de vertegenwoordigers van alle admiraliteiten weer in Den Haag bijeen en werden de details van de aanstaande nieuwbouw doorgesproken. Namens de Admiraliteit van de Maze waren de heren Everwijk, Amerongen en Lodesteijn aanwezig. Ter vergadering werden drie nieuwe charters vastgesteld. In een charter bepaalde men de hoofdmaten van een te bouwen schip, waarbij men zich beperkte tot het noemen van de scheepslengte van voor- tot achtersteven, de grootste wijdte en de holte. Met dit laatste werd de afstand tussen de kielbalk en de onderzijde van het eerste doorlopende dek bedoeld. De charters van december 1664 luidden als volgt:
  • Acht schepen moesten worden gebouwd van ten minste 155 voet lang, 40 voet wijd en voorzien van 66 stuks geschut;
  • Acht schepen van tenminste 145 voet lang, 38 voet wijd met 56 stuks geschut
  • Acht schepen van 135 voet lang, 34 voet wijd met 44 of 46 stukkken.
Tevens werd bepaald dat de schepen van 155 voet uiteindelijk 160 voet lang mochten worden en die van 145 voet 150. We kunnen in deze charters en de bijkomende bepaling goed de neiging bespeuren om steeds grotere schepen te bouwen. Grotere althans dan de oorlogsschepen uit de Eerste Engelse Oorlog die niet opgewassen waren gebleken tegen de Engelsen. Wat eerder voorbereid was binnen de Staten van Holland werd nu overgenomen door de Staten-Generaal, waarna op 11 december 1664 de bouwopdrachten werden verstrekt . De Admiraliteit van de Maze diende twee schepen van het eerste en nog een schip van het tweede charter te bouwen. We mogen aannemen dat men in Rotterdam na 11 december direct begonnen is met de bouw van deze schepen. Het is echter ook mogelijk dat men op de admiraliteitswerf al een kielbalk op stapel had staan. Dat kan verklaren waarom één van deze schepen niet 160, maar 163 voet lang zou worden. 

naar boven

Op de admiraliteitswerf te Rotterdam

Wanneer in de zeventiende eeuw de hoofdmaten van een schip waren vastgesteld, was de eerstvolgende stap in het bouwproces dat een bestek werd geschreven. Op basis van de hoofdmaten lang-wijd-hol konden alle andere maten van de afzonderlijke onderdelen worden afgeleid. Het bestek bevatte al deze maten. Niet alleen werden de afmetingen van balken, planken, masten en touwwerk genoemd, vaak bevat het bestek ook kwaliteitseisen met betrekking tot de herkomst van touw en hout, en de wijze van constructie. Sommige bestekken gaven zelfs uitvoerig aan wat voor beeldhouwwerk er op het schip moest komen en welke onderwerpen daarbij moesten worden verbeeld. Een belangrijke rol was hierbij weggelegd voor de scheepsbouwmeester die het schip moest gaan bouwen. De opdrachtgever bepaalde de hoofdmaat, maar het moest voor de scheepsbouwmeester natuurlijk wel uitvoerbaar zijn.
Het is spijtig dat de bestekken van de twee grote schepen die de Admiraliteit van de Maze in 1664 begon te bouwen niet bewaard zijn gebleven. We zouden in dat geval de exacte maten van het schip 7 Provinciën hebben geweten. De Rotterdamse admiraliteit beschikte in de jaren '60 van de 17de eeuw over twee werven. Een daarvan bevond zich aan het Haringvliet, de ander aan het oostelijk einde van de Nieuwe Haven. Later, in de jaren '80, zou de werf worden verplaatst naar een nieuwe locatie op het `Reuzeneiland' dichter bij de Maas (tegenwoordig nog "`s Lands werf" geheten). Het is zeker dat de twee oorlogsschepen uit 1664 op de oude werf zijn gebouwd. De reden voor die latere verplaatsing mag met één blik op de kaart duidelijk zijn. Door de toenemende schaalvergroting in de scheepsbouw was het voor de Admiraliteit steeds moeilijker op de kleine werven binnen de stadsmuren goed uit de voeten te kunnen.
In brieven van de Rotterdamse admiraliteit uit 1665 is sprake van een `bruggetje' dat de toegang tot de werf blokkeert. Voordat de latere 7 Provinciën vanaf de werf op de Maas kon worden gebracht, moest dat bruggetje worden verwijderd. Nu lag er zowel over het Haringvliet als over de Nieuwe Haven een brug aan de Spaanse kade. Wilde men in de Oude Haven en vervolgens in de Maas komen, dan moest in beide gevallen een brug worden gepasseerd. Over de Nieuwe Haven lag echter in het midden nog een tweede bruggetje, op het oog nogal smal. Het kan zijn dat de doorgang nét breed genoeg was voor een schip van 40 voet wijd, maar niet voor een schip dat uiteindelijk 43 voet wijd bleek te zijn geworden. Het is daarom alleszins aannemelijk dat de 7 Provinciën gebouwd is op de admiraliteitswerf aan de Nieuwe Haven.

De naam van de toenmalige scheepsbouwmeester van de Rotterdamse admiraliteitswerven is bekend. Dit was sinds 1664 Salomon Jansz van den Tempel. Zijn vader, Jan Salomonsz, was ook als scheepsbouwmeester in dienst van de Admiraliteit geweest en had in die functie nog de schepen gebouwd van de vorige generatie, uit de Eerste Engelse Oorlog. Scheepsbouwmeester was een ambacht dat vaak van vader op zoon overging en grotendeels in de praktijk werd geleerd. Salomon Jansz volgde Jan Salomonsz op en we kunnen ervan uitgaan dat onder zijn leiding de 7 Provinciën is gebouwd, met dien verstande dat ook particuliere scheepsbouwers als onderaannemers werkzaam waren op de werf. Van den Tempel zal in elk geval de supervisie hebben gehad en daarmee rustte er een zware verantwoordelijkheid op zijn schouders. Het was immers zijn taak om te voldoen aan de eisen van Admiraliteit en Staten-Generaal en er voor te zorgen dat op `zijn' werf het door de Heren zo gewenste tempo er flink in werd gehouden.

naar boven

Bouwgeschiedenis 7 Provinciën

De vaart waarmee in de zeventiende eeuw schepen werden gebouwd is naar onze maatstaven verbazingwekkend. Zelfs wanneer we in aanmerking nemen dat de toenmalige scheepsbouw een hoog ontwikkelde tak van nijverheid was, waar enorm veel kapitaal en arbeid bijeenkwam, waar in tientallen toeleveringsbedrijven door honderden arbeiders gedurende lange dagen aan werd gewerkt, dan nog is het bijna onvoorstelbaar dat zo'n groot schip als de 7 Provinciën in minder dan acht maanden volledig werd afgebouwd.
`Maar siet, terwijl ick rijm, zo staat daar het wonderwerck; gerezen als een burgh of als een groote kerck', zo dichtte Joost van den Vondel in zijn Lof der Zee-vaert uit 1623. Vondels verbazing over de scheepsbouw van zijn tijd, mogen we gerust ook van toepassing laten zijn op die van 1664. Het is wel zeker dat op de Rotterdamse werf met man en macht aan de bouw van de nieuwe oorlogsschepen werd gewerkt. De Staten-Generaal, en met name Johan de Witt, hadden enorm veel haast. Al op 27 december 1664 ontvingen alle vijf de admiraliteiten een brief met de vraag of men al daadwerkelijk begonnen was met de bouw. Nauwelijks twee weken later, op 9 januari 1665, werd de admiraliteit van Rotterdam gemaand toch vooral op te schieten. Met het oog op de Engelse dreiging was het voor de Republiek van belang het vlootbouwprogramma zo snel mogelijk af te werken.

Uit de correspondentie tussen de Staten-Generaal en de admiraliteiten, waaronder die van Rotterdam, is het bouwproces gedurende het voorjaar en de zomer van 1665 redelijk te volgen. Geregeld brengt Rotterdam verslag uit aan Hunne Hoogmogenden over de voortgang in de bouw. Er wordt daarbij al die tijd consequent gesproken over `Het Grote Schip', of ook wel over `Het Grote Admiraelsschip'. Een naam had het schip in aanbouw nog niet, dat was iets dat later zou komen.

De bouw van de 7 Provinciën begon direct al met vertraging. Het was een strenge winter, waardoor men in het begin niet hard opschoot. De admiraliteit van de Maze excuseerde zich hiervoor in een brief van 6 februari 1665:

`Wij hebben wel met allen ijver getracht te voldoen [...] omme aen te bouwen ons aenpart inde geordonneerde vierentwintich capitale schepen van oorloge [...], maer siende dat door den langhdurigen vorst ende andere inconvenienten den voortgang van den voorseide aenbouw merckelijcq wort verhindert; daerdoor alles soo spoedig niet sal connen werden geeffectueert als Uwe Hoogmoogenden van ons begeeren [...]'
Een maand later bleek de bouw toch goed op gang te zijn gekomen. Een delegatie vanuit het admiraliteitscollege had de werf in Rotterdam bezocht en maakte er op 18 maart, na `oculaire inspectie', melding van dat op de werf op stapel stond: `het Grote Schip, lang over stevens 163 voet, wijd 43 voet en 16 voet hol'.
Op verzoek van de Staten-Generaal was de in Rotterdam gebruikelijke voetmaat omgerekend naar Amsterdamse voeten van 11 duim, om betere vergelijking mogelijk te maken met de schepen van de andere admiraliteiten waar de Amsterdamse voet (= 28,3 cm) de gangbare rekeneenheid was. Ook werd melding gemaakt van het feit dat de balken van de overloop al in het schip lagen en dat er met honderd man aan werd gewerkt. De tijdens de vorstperiode opgelopen achterstand was daarmee zo goed als weggewerkt. Voorzichtigheidshalve maakte men de heren erop attent dat er grote schaarste heerste aan bouwmaterialen zoals masten en goede kniestukken. Een latere vertraging moest daarom niet worden uitgesloten.
Opmerkelijk is dat het schip 3 voet langer en 3 voet wijder uitviel dan het oorspronkelijke charter aangaf. Er wordt geen nadere verklaring voor deze afwijking gegeven. We kunnen ons daarom afvragen of hier opzettelijk, ingegeven door nautisch-militaire overwegingen, werd afgeweken van het charter. Een iets wijder schip, gepaard aan een relatief geringe holte, kon wellicht de stabiliteit gunstig beïnvloeden, mede gezien de grote hoeveelheid zwaar geschut die op een oorlogsschip aan dek stond opgesteld. Wanneer men een schip wijder maakt, moet het om scheepsbouwtechnische redenen ook langer worden ten einde de juiste verhoudingen te bewaren. Dit kan een overweging zijn geweest van de scheepsbouwmeester, maar ook van de opdrachtgever -de Admiraliteit- om van het eerder bepaalde charter af te wijken. Overigens was onenigheid tussen opdrachtgever en scheepsbouwmeester betreffende maat en uitvoering van schepen een vaak voorkomend fenomeen in de 17de-eeuwse scheepsbouw.

Een volgend bericht over de bouw van de 7 Provinciën dateert van 9 juni 1665 en geeft ons een goed beeld van de situatie op de Rotterdamse werf en van de 17de-eeuwse scheepsbouw in het algemeen. Het is daarom illustratief de betreffende passage in zijn geheel hier weer te geven:

`Tot voldoening van 't welke Uwe Hoogmogenden bij desen gedienstelijck werd genotificeerd dat van de voorseide schepen het eerste ende grootste schip soo verre is geadvanceerd dat het meest is afgetimmert, de maste alle daerin geset ende sal den bougspriet insgelijcx binnen twee à drie dagen ingeset werden; het staende want ende stagen begint men op te leggen, ankers ende touwen liggen gereed. Het binnenwerck, soo van den huijstimmerman, metselaer ende beeldhouwer is onderhanden ende werd staet gemaeckt dat in een maend of ses weecken t voors. schip op stroom connen werden gebracht, indien door het afbreecken ende vermaecken van de brugge door de welke het selve schip moet passeeren, sulcx niet en werd verhindert. Het tweede schip daeraen volgende staet in zijn inhouten. Het derde schip is opgeset ende geschoort. Ende het vierde daervan is de kiel gelegt en werd de steven vervaardigt. Dat de timmeragie niet meerder is gevorderd werd principaels veroorsaact dat tot ons genougen geen crommers tot knijen connen becomen, ende indien die ons niet comen te missen, werd staet gemaect dat het tweede schip in Augusto, het derde September en het vierde in November sullen connen int water loopen.'
In deze passage valt een aantal dingen op. Ten eerste blijkt dat ons `grote schip' op 9 juni reeds in het water moet hebben gelegen. Uit de scheepsbouwpraktijk van die tijd is bekend dat een schip werd afgebouwd en getuigd na de tewaterlating van de romp. Met het `op stroom brengen' moet hier dan ook zijn bedoeld dat het schip, getuigd en wel, naar de rivier de Maas zou worden gebracht en daadwerkelijk werd opgeleverd. Van de andere drie schepen die op stapel staan wordt expliciet gezegd wanneer ze van de helling te water zullen worden gelaten. Aardig is daarbij de beschrijving van de verschillende bouwfasen: kiellegging, opzetten en schoren van de stevens, plaatsing van de inhouten (spanten e.d.) en de afbouw. Ten slotte is in deze passage sprake van het eerder genoemde afbreken van een bruggetje, waarvan we de ligging op de Nieuwe Haven hebben gelokaliseerd.
De verwachting dat het grote schip binnen een maand tot zes weken na dato op stroom zou kunnen worden gebracht, kwam uit. Het bruggetje vormde niet zo'n obstakel dat vertraging ontstond, zodat op 29 juli 1665 de Admiraliteit van de Maze vol trots kon melden aan de Hoogmogende Heren der Staten-Generaal dat `desen avont het groote admiraelsschip is uijt de haven op stroom geraeckt'. We mogen die datum dan ook aanhouden als de dag waarop de bouw van het schip 7 Provinciën was afgerond.
Vervolgens bracht men het schip stroomafwaarts naar Den Briel, alwaar Johan de Witt het op 30 augustus 1665 persoonlijk kwam inspecteren. Uit het verslag dat De Witt een dag later aan de Staten-Generaal deed, bleek het schip inmiddels een naam te hebben ontvangen. Tot nog toe was deze naam nog nergens in de brieven of rapporten genoemd.
`Is gehoort het rapport van den heer Johan de Witt, hare Hoog Mogenden Gedeputeerde achtervolgend derselve resolutie van den negenentwintichste dese, geinspecteert hebbende het Groot Admiraelsschip, genaemt de Seven Provintien, door 't collegie ter admiraliteijt tot Rotterdam int water gebracht ende jegenwoordich leggende voor Den Briel.'
Om inzetbaar te zijn als een volwaardig oorlogsschip van 's Lands Vloot, moest het nog worden voorzien van geschut, voorraden, volk, kapiteins, officieren en een opperbevelhebber. Dat werd de grootste zorg van de Hoogmogende Heren in de maanden die volgden. 

naar boven

Het schip op stroom: de equipage te Hellevoetsluis

Voor een nieuw gebouwd schip van de Rotterdamse Admiraliteit was Hellevoetsluis de eerstvolgende bestemming. Daar immers bevonden zich de magazijnen, daar ook werden geschut, bemanning en voorraden aan boord gebracht. Nu was er in de zomer van 1665 een groot gebrek aan zowel bemanning als bruikbaar geschut. Sinds maart 1665 was de Republiek opnieuw in oorlog met Engeland en de inspanningen waren groot. Tot overmaat van ramp was het vlaggeschip Eendracht tijdens de slag bij Lowestoft (13 juni 1665) in brand geschoten en ontploft. Luitenant-admiraal Van Wassenaer van Obdam was hierbij omgekomen. Behalve naar geschikt geschut, moest men nu ook naarstig op zoek naar een nieuwe opperbevelhebber. Die nieuwe opperbevelhebber werd snel gevonden. Reeds voor het op stroom brengen van de 7 Provinciën hadden de Staten-Generaal op 11 augustus 1665 Michiel Adriaensz De Ruyter, luitenant-admiraal van Holland en West-Friesland, benoemd tot `chef ende opperhoofd over 's Lands vloote'.
Meer moeite had men met het vinden van de benodigde `metalen', dat wil zeggen bronzen stukken. Uit een brief van 3 juli 1665 van de Admiraliteit van de Maze aan de Staten-Generaal blijkt dat men van plan was geweest om de bronzen kanonnen van de Eendracht over te brengen op de 7 Provinciën. Het verlies van de Eendracht en van nog een aantal andere schepen haalde een lelijke streep door dat plan. Financieel gesproken was de Rotterdamse Admiraliteit hierdoor in zulke grote problemen geraakt dat aan de Staten-Generaal verzocht werd voorlopig geen verdere geldelijke bijdragen te hoeven leveren aan de uitrusting van de vloot.
In Rotterdam zelf kon het nieuwe schip in het geheel niet van bewapening worden voorzien en het was maar afwachten of er elders genoeg geschut kon worden gevonden. Ook had men nog lang niet de beschikking over voldoende scheepsvolk. Slechts 80 matrozen waren er aan boord; het was de bedoeling dat in Hellevoetsluis de rest van het volk zou aanmonsteren.
In eerste instantie bestond het voornemen om het nieuwe schip te `monteren' met 84 stuks geschut: 8 zware 36-ponders en 22 24-ponders op de onderste laag; 22 18-ponders op de tweede laag; 26 6-ponders op de schans en de bak en ten slotte nog 6 kleine 4-ponders in de hut. In het hele land en zelfs daarbuiten tot in Mechelen toe, ging men koortsachtig op zoek naar dergelijk geschut. Vele brieven en verzoeken werden in de weken die volgden geschreven, zonder veel resultaat. Men deed zelfs een beroep op het landleger dat vier 28-ponders ter beschikking stelde. In de maanden daarna werden de aantallen stukken en de kalibers ervan nog herhaaldelijk gewijzigd, voordat het schip zich uiteindelijk met 80 stuks, her en der verkregen, bronzen geschut bij de oorlogsvloot kon voegen.

Maar voor het zover was moest de 7 Provinciën na het op stroom brengen eerst nog veilig in Hellevoetsluis zien te komen. Omdat het schip daarvoor buitengaats om moest varen via de Noordzee en het Goereese Gat, leefde er enige vrees voor een plotselinge Engelse aanval op het nieuwe, onbewapende schip. In Engeland had men namelijk lucht gekregen van dit buitenkansje en naar verluid waren wel tien of twaalf snelle fregatten onderweg van de bij Solebay gelegen vloot naar de Maasmonding. Op 7 augustus had de speciale Engelse gezant, Sir George Downing, zijn thuisbasis ingelicht over de problemen met de bewapening van het nieuwe schip:

`The new greate ship at Rotterdam is not yet fallen downe from before the towne and she cannot take in a gun till she have a wind to carry her out to sea'. (uit: H. Colenbrander (ed.), Bescheiden uit vreemde archieven 1652-1676, p. 278 vv.)
Op 4 september 1665 was het dan eindelijk zo ver: het schip voer voor het eerst het zeegat uit, onder begeleiding van een aantal schepen, waaronder een Oostindiëvaarder. Twee admiraliteits-dienaren die vanaf 's Lands jacht de eerste echte proefvaart observeerden berichtten de Staten-Generaal op 5 september:
`Het nieuwe admiraelsschip de Seven Provintien is op gisteren morgen omtrent ten acht uijren nevens een Delfschen Oostindievaerder met ZZ oostewind ende weijnig coelte [..] in zee geraeckt ende noch dien avond met een westelijcke wind [..] voor de haven van Goeree gearriveert, van waer wij 't noch desen morgen mettet getije hier voor den haven van Helvoetsluijs tegemoet sien.'
Tot hun groot genoegen konden de briefschrijvers melden dat het schip over uitstekende zeileigenschappen beschikte. De escorte-schepen hadden namelijk een half uur voorsprong genomen bij het uitvaren; nog voor de middag had de 7 Provinciën hen niet alleen ingehaald, maar lag zelfs een uur voor:
`Soo dat wij niet en twijffelen, off uwe Hoogmogenden sullen vant voornoemde schip goeden dienst trecken, waertoe Godt almachtig synen segen wil geven.'

naar boven

Victualie en bemanning

Nu het schip eenmaal in Hellevoetsluis was aangekomen, kon de equipage pas echt goed van start gaan. Op 7 september kwam Johan de Witt nogmaals aan boord om de gang van zaken te inspecteren, waarbij zijn belangstelling vooral uitging naar de bewapening.
Volgens gebruik was het de vrouw van de kapitein die zorg droeg voor inkoop en aanvoer van het eten en drinken aan boord. Niemand minder dan Anna van Gelder, de `huijsvrouw' van luitenant-admiraal De Ruyter, was in ons geval hiermee belast. Door een misverstand welk schip nu precies door de Staten-Generaal aangewezen was als De Ruyters schip, verkeerde Anna van Gelder in de veronderstelling dat dit de Hollandia was, het door Amsterdam gebouwde schip dat eveneens deel uitmaakte van de groep van 24 nieuwe schepen. Voor de proviandering van dit schip was zij inmiddels al inkopen wezen doen.
Op 31 augustus bepaalden de Staten-Generaal dat De Ruyter de 7 Provinciën zou krijgen, maar op 4 september veranderde men van mening en werd dat schip toegewezen aan Cornelis Tromp, een der andere luitenants-admiraal, en ging de Hollandia naar De Ruyter. Drie dagen later bepaalde men daarentegen dat De Ruyter mocht kiezen uit beide schepen en stelde hem hiervan op de hoogte. De admiraliteit van de Maze had stevige kritiek op deze besluiteloosheid en waarschuwde dat als deze `disordre ende confusie' bleef aanhouden, het schip nooit tijdig gereed zou zijn. Men eiste dat zou worden vastgehouden aan de eerdere resolutie en dat de 7 Provinciën aan De Ruyter werd toegewezen. Op 11 september trokken de Staten-Generaal inderdaad de latere resoluties in en keerden terug naar die van 31 augustus.
Geen wonder dus dat Anna van Gelder door dit alles in verwarring verkeerde en zij zich, zij het in zeer beleefde bewoordingen, verwonderde over de weifelachtige houding van de Hoogmogende Heren. De al door haar ingekochte proviand voor de Hollandia mocht zij overigens verrekenen met hetgeen zij nu alsnog aan `vivres, cocx en caiuijtsgereetschap' voor de 7 Provinciën moest gaan inkopen. Een pikant detail is dat De Ruyter, die op zee verbleef, niet zo snel op alle besluitswisselingen kon reageren. Op 16 september ontvingen de Staten-Generaal van hem een brief, waarin hij, op grond van de resolutie van de 7de, zijn voorkeur uitsprak voor de 7 Provinciën. Hem was immers toegezegd dat hij mocht kiezen. Welnu, hij koos voor de 7 Provinciën, omdat de Hollandia naar zijn idee later klaar zou zijn. Een zucht van verlichting zal aan de monden der Hoogmogenden zijn ontsnapt, nu de keuze van De Ruyter overeenkwam met wat zij inmiddels zelf al hadden besloten. De verwarring zou immers niet te overzien zijn geweest als de luitenant-admiraal zich plotseling toch zou hebben uitgesproken voor de Hollandia...

Kort daarvoor was aan De Ruyter, die eind augustus 1665 op het schip de Spiegel verbleef, gevraagd wie hij als zijn naaste medewerkers op de 7 Provinciën wilde hebben. Hij droeg toen Jan Willemsz van Nijmegen, met wie hij al vele jaren samen voer, voor als zijn eerste kapitein. Door alle verwarring omtrent de toewijzing was door Tromp Joris Houbraecken genomineerd voor deze functie. Omdat Houbraecken vlak voor het vertrek zijn been brak werd Jan Willemsz door het Rotterdamse admiraliteitscollege alsnog benoemd tot eerste kapitein. Als tweede en derde kapiteins werden Paulus Barentse, Hendrick Halfkaeck en Anthony de Liefde aangesteld.
Tijdelijk bevelhebber, tot de komst van De Ruyter, werd Aert van Nes, vice-admiraal van Rotterdam. Hij moest het schip naar de opperbevelhebber brengen, die met de rest van de vloot op de rede van Texel lag te wachten. Op 25 september ging Van Nes aan boord van de 7 Provinciën en trof daar aan: `270 cloucke matrosen, 80 mariniers dat slecht volck is en 100 lantsoldaten'.
Slecht volk of niet, met deze 450 koppen moest Van Nes het doen. Nu was het wachten op een gunstige wind om daadwerkelijk te kunnen uitzeilen.

Wanneer men haast heeft lijkt elke kleine vertraging een enorme tegenslag. In het geval van de bouw en uitrusting van de 7 Provinciën lijkt die observatie zeker op zijn plaats. De kiel was nog maar nauwelijks gelegd of men klaagde al over tijdverlies door vorst. De angst voor verdere vertraging, in het licht van de penibele politieke en militaire situatie, is het schip steeds blijven aankleven: het bruggetje in Rotterdam, de equipage, het uitblijven van voldoende geschut en de misverstanden omtrent het bevel en de bevoorrading. Wat ligt dus meer in de lijn der verwachting dan dat het schip, toen het ten slotte klaar was om uit te varen en zich bij de vloot te voegen, wel veertien dagen bij Goeree moest liggen wachten op een gunstige wind?
Van 25 september tot 9 oktober 1665 waaide het steeds óf te hard, óf te zacht, óf uit de verkeerde hoek, waardoor de Hoogmogende Heren in Den Haag bijkans tot vertwijfeling werden gebracht. De Ruyter en de rest van de vloot kwamen het nieuwe schip vanaf Texel zelfs tegemoet varen om zo tijd te winnen, maar de wind bleef tegen zitten.
Op 9 oktober was het dan toch zo ver en twee dagen daarna kon aan de Heren worden gemeld dat de 7 Provinciën toegevoegd was aan 's Lands Vloot. Het had maar een haartje gescheeld, of De Ruyter had de komst van het nieuwe schip niet afgewacht en was al met de rest van de vloot vertrokken. Nu kon de 7 Provinciën alsnog koers zetten naar Engeland en meedoen aan een blokkade van de Theems. De Ruyter kwam echter niet meer aan boord. Na de kortstondige actie bij de Theemsmonding, keerde de 7 Provinciën begin november 1665 terug naar de thuishaven Hellevoetsluis, in afwachting van haar gebieder.
Pas na de winter, op 27 maart 1666, zou Luitenant-admiraal De Ruyter zijn nieuwe schip daadwerkelijk betrekken. De eerder genoemde Engelse gezant Sir George Downing blijkt even daarna zelfs bij De Ruyter aan boord te zijn geweest en kon in april naar huis schrijven dat:

`I was aboard Monsr de Ruyters ship for two or three days; his ship carries 80 guns, 400 marriners and a 150 soldiers; his own son with his company is aboard with him. He hath tue sea captains, three steermen, three pilots and nine surgeants; he hath six pieces that carries 44 pounds bullets; the lower rack is of guns that carries from 30 pound to 18 and the rack above that carries from 18 to 12. (Colenbrander, Bescheiden uit vreemde archieven, p. 278 vv.)
Men zal in Engeland blij zijn geweest met deze informatie, maar ondanks Downings `spionage', die blijkbaar door De Ruyter werd toegestaan, zou de 7 Provinciën nog menig Engels schip bestoken.
In de zomer van 1666 nam het schip eindelijk voor het eerst deel aan gevechtshandelingen, tijdens de door De Ruyter zo glorieus gewonnen Vierdaagse Zeeslag. Overigens raakte het schip hierbij wel zijn grote steng en vlaggestok kwijt na een Engels salvo.

In de jaren daarna bleef de 7 Provinciën het vlaggeschip van De Ruyter, totdat hijzelf in 1674 overstapte naar de Eendracht (een nieuwe Eendracht) en de 7 Provinciën ten tweede male onder bevel kwam van Aert van Nes, die inmiddels was bevorderd tot luitenant-admiraal van de Maze. In 1678 kwam het schip onder bevel van schout-bij-nacht Jan van Brakel. In 1694 zou het wegens ouderdom voor sloop worden verkocht.
Hoewel de 7 Provinciën in haar bijna dertigjarige leven meer meesters kende, bleef het voor de geschiedenis toch altijd het schip van De Ruyter, haar eerste echte bevelhebber.

Verantwoording
Voor dit hoofdstuk werden veel nieuwe gegevens ontleend aan het archief van de Staten-Generaal over de jaren 1664-1666, bewaard in het Algemeen Rijksarchief Den Haag, inv. nrs 3227-3232 (resoluties); 5582-5593 (Bijlagen).
Ook de brievenboeken van de Staten-Generaal en de archieven van de Admiraliteitscolleges waaronder de verbalen van het Haags Besogne , en het archief van de Staten van Holland leverden veel bruikbaars op.

Veel dank ben ik verschuldigd aan Laura van 't Zand die ettelijke dagen doorbracht in het Algemeen Rijksarchief en daar de mogelijk relevante passages doorlas en transcribeerde. Haar inspanningen hebben de totstandkoming van dit stuk aanzienlijk versneld en de inhoud verrijkt.

Literatuur
Colenbrander, H.T. (ed), Bescheiden uit vreemde archieven omtrent de groote Nederlandse zee-oorlogen, 2 dln., Den Haag, 1919 (RGP 18).
Israel, J.I., Nederland als centrum van de Wereldhandel (1585-1740), Franeker, 1991.
Parthesius, R. (ed.), Batavia Cahiers II-V, Lelystad 1991-1994.

© Ad van der Zee/ Bataviawerf, Lelystad NL

Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter

Tweet wordt geladen...
Volg op Twitter >

Laatste Facebook bericht wordt geladen...
Volg op Facebook >

Copyright 2009 Bataviawerf, Ontwikkeling & Realisatie PM Webdesign, Swifterbant
Volg ons op Twitter
Bekijk ons op Flickr
Bekijk ons op You Tube