Home|Contact   
De naam Batavia: de Bataafse Mythe
De naam Batavia: de Bataafse Mythe

© Maarten de Haan

" .vermoghen aldaer meer de goede zeden, dan elders de goede wetten." (1)

 In 1628 gaf de VOC de naam ‘Batavia’ aan een retourschip dat op het punt stond naar Indië te worden uitgezonden. Het was weliswaar voor het eerst dat een schip zo genoemd werd, maar de naam zelf was niet nieuw. Negen jaar eerder had de Compagnie besloten haar belangrijkste vestiging op Java ‘Batavia’ te noemen. Jan Pietersz. Coen schreef hierover aan de Heeren XVII:

‘Volgens U. E. ordre hebben de stadt ende 't fort van dese plaetse in 't coninckrijck van Jacatra gelegen, Batavia genaempt. D' Almogende geve dat volck becomen om tot zijnnen eere ende welstant van de Vereenichde Nederlanden een treffelijcke colonie te planten’. (2)

Als stichter van de stad had Coen zelf -na een herovering op de Engelsen- in 1619 Jacatra ‘Nieuw Hoorn’ genoemd, maar het VOC-bestuur gaf voorkeur aan de naam ‘Batavia’. De precieze redenen voor dit besluit kennen wij niet, maar vast staat dat het begrip ‘Batavia’ in de vroege zeventiende eeuw niet zonder betekenis was.

Batavia was een legendarisch land uit de Oudheid, waarmee de jonge Republiek zich sterk kon identificeren. Allereerst was het gelegen in het gebied der Lage Landen, en ten tweede leefde er een volk dat kwaliteiten leek te bezitten die men in de Republiek hoog achtte. De aan het Bataafse volk toegeschreven heldendaden werden in de zeventiende eeuw afgebeeld op schilderijen van Rembrandt van Rijn, Govert Flinck en Ferdinand Bol.

Ook de huidige Batavia (die van 1985) verwijst naar dit thema. De figuren die rond de ramen op de spiegel staan opgesteld, verbeelden de Bataafse helden Julius Civilis en diens rechterhand, de Caninefaat Brinio.
Behalve in de beeldende kunst bestond er vooral in de 17de-eeuwse literatuur een levendige traditie die zich bezighield met ‘Batavia’. In het onderstaande zal bekeken worden wat die Bataafse ‘afstamming’ inhield en welke rol die gespeeld heeft bij een aantal dichters, schrijvers en politieke denkers.

Het ontstaan van de Bataafse Mythe

Aan het einde van de Middeleeuwen kwamen de Lage Landen ten noorden van Frankrijk in een snel tempo onder het bewind van de Bourgondische, later Habsburgse, vorsten. Dit gebied bestond uit een aantal hertogdommen en graafschappen, die vaak een grote verstedelijking kenden. Vanaf de 11de eeuw waren vooral de zuidelijke delen een cruciale rol gaan spelen in de handel tussen de Middellandse Zee en het noordwesten van Europa. Handel en nijverheid ontwikkelden zich gestaag in de volgende eeuwen en breidden zich geleidelijk ook naar de noordelijke gebieden uit. Zelfs tijdens de zware Europese crises van de 14de eeuw waren de Nederlanden economisch sterk genoeg om zich goed te kunnen handhaven. In de 15de en 16de eeuw was de groei in de handel, visserij en scheepvaart ongekend. (3)

Ondanks de belangrijke economische positie die zij gezamenlijk innamen in Europa, was de politieke samenhang in de Lage Landen nog ver te zoeken. De sterk rivaliserende gewesten bestreden elkaar gedurende eeuwen. Wel had vanaf de 15de eeuw de economische bloei op lokaal niveau het ontstaan van militaire bolwerken met een efficiënt bestuur met zich meegebracht. In de laatste decennia van de eeuw kwamen de Nederlanden geleidelijk door huwelijk en vererving, en later ook door onderwerping, in handen van de hertogen van Bourgondië. Zij voerden een verdere centralisatie van rechtspraak en belastingen door die in de verenigde gebieden vaak met argwaan bekeken werd.

Toch kende deze tendens ook voorstanders. Verschillende geleerden begonnen zich gedachten te vormen over een groter geheel waarvan de Lage Landen deel uit zouden maken. Belangstelling voor de klassieke oudheid ging hierbij samen met een onderzoek naar de eigen historische wortels.

Vanaf de vroege 16de eeuw maakte wat wij nu de ‘Bataafse Mythe’ noemen opgang in met name het gewest Holland. Rond het begin van de jaartelling zou in het gebied van het huidige Nederland een broedervolk van de Romeinen geleefd hebben, de Bataven, van wier zelfstandig optreden men veel dacht te kunnen leren. De vermelding van dit volk vindt men in de geschriften van Gaius Julius Caesar (100-44v Chr.) en vooral bij Publius Cornelius Tacitus (55-±116). Deze laatste beschreef hoe Caesar in 57 voor Christus bij zijn opmars naar het noorden tot in de zuidelijke Nederlanden belandde, waar het volk der Batavi zich wist te bevrijden van de overheersing door de Catten. Enkele decennia later sloot het een bondgenootschap met de Romeinen en werd in 8 voor Christus in hun rijk opgenomen.

Volgens Tacitus bezaten de Bataven ook hierna nog een bevoorrechte positie. Zij leverden militaire steun aan de Romeinen, maar hoefden geen belasting te betalen. Niettemin begonnen zij in 69 na Christus, toen Rome in een politieke chaos verkeerde, samen met andere Germaanse stammen een opstand tegen de gouverneur Vitellius. De Bataafse legercommandant die de opstandelingen aanvoerde heette Caius Julius Civilis, vaak ten onrechte Claudius Civilis genoemd. (4) Hij slaagde erin grote gebieden rondom de Rijn en de Maas te veroveren, maar moest een jaar later het onderspit delven tegen een door keizer Vespasianus gestuurd leger. De Romeinen stichtten toen de legerplaats Noviomagus (Nijmegen), waar de Bataven hen wederom van hulptroepen voorzagen. Verder is weinig bekend over de politieke status van het volk in deze tijd.

De verwijzingen naar het Bataafse volk in de klassieke literatuur zijn zeker niet allemaal zo gunstig als het beeld dat men zich later van hen vormde. In zijn Germania, hoewel een lofzang op de onbedorven deugdzaamheid van de noordelijke stammen, laat Tacitus het gebrek aan beschaving van de Germaanse volkeren niet onvermeld. Ze wonen in grotten, zijn weinig voorlijk, drankzuchtig en twistziek, en willen niets anders dan oorlogvoeren. (5) In de 17de-eeuwse Republiek werden de Bataven daarentegen voorgesteld als een politiek en cultureel hoog ontwikkeld volk. De interesse die men hier kreeg voor Batavia was dan ook bepaald niet vrijblijvend, maar had een politieke ondertoon. Met name toen de Nederlandse gewesten zich losmaakten van de Spaanse overheersing vervulde, ‘Batavia’ een voorbeeldfunctie en kon het bijdragen aan het gevoel van staatkundige eenheid.

naar boven

 

Van Troje naar Batavia: het humanisme

Het is niet verwonderlijk dat het ontstaan van de Bataafse Mythe in verband wordt gebracht met het uitbreken van de Nederlandse Opstand. Zij had echter langere wortels. In de 15de eeuw bestond reeds de zogenaamde ‘Trojaanse mythe’, die inhield dat vorstenhuizen in de Nederlanden afstamden van overlevenden uit de verwoeste stad Troje. Deze middeleeuwse mythe vond zijn oorsprong in de voorstelling van Duitse kroniekschrijvers dat de Trojaanse koningszonen Aeneas en Priamus in de Duitse en Italiaanse gebieden steden hadden gesticht en volkeren voortgebracht. Door de gelijke afstamming van Romeinen en Germanen vast te stellen, kon de overgang van het Romeinse keizerrijk naar het Duitse aannemelijk worden gemaakt. (6)

De Trojaanse mythe hield niet lang stand onder de invloed van het uit Italië afkomstige humanisme.

Het humanisme, een literair-filosofische stroming die de bestudering en navolging van klassieke schrijvers tot doel had, kende in de Nederlanden een overwegend christelijk karakter. Men had minder interesse voor de ‘heidense’ klassieke schrijvers dan voor de bijbel en de kerkvaders. De humanist Erasmus bijvoorbeeld werkte aan een tekstkritische uitgave van de bijbel en hield zich voornamelijk bezig met het morele gedrag van de geestelijkheid. Ook door studie van klassieke bronnen wilde men te weten komen hoe men zich als individu het beste kon gedragen. Het werk van Tacitus, dat in de tweede helft van de vijftiende eeuw werd herontdekt, vond men daarvoor uitermate geschikt (7). In Italië vond men Tacitus' stijl vaak niet verfijnd genoeg, maar in het Noorden werden zijn geschiedkundige schetsen van de Duitse gebieden gretig gelezen. Men wilde evenals in Italië de eigen oorsprong in de oudheid kennen, maar de nadruk lag hier veel meer op de zedelijke lessen die men daarbij kon opdoen.

Twee belangrijke vroege Nederlandse humanisten zijn Cornelius Aurelius (1460-1531) en Desiderius Erasmus (1469-1536). Door zijn invloedrijke geschiedwerk, de Divisiekroniek, was Aurelius voor een groot deel verantwoordelijk voor het populair worden van ‘Batavia’ in de Nederlanden, en voor het definitief afzweren van de Trojaanse mythe (8). Zijn leerling Erasmus, die hem in roem overvleugelde, wijdde zelf geen historische werken aan het onderwerp maar kwam in een van zijn Adagia, "Auris Batava" (Het Bataafs Oor; 1508), als eerste met de gedachte dat Holland het gebied was waar Batavia had gelegen. Het is veelbetekend dat Erasmus het gebrek aan verfijning en boersheid van de Bataaf/Hollander juist een verdienste vond, omdat zij opwellen uit een oprecht en deugdelijk hart. Er is zelfs uiteindelijk "geen volk meer bereid tot menselijkheid en vriendelijkheid". (9)

naar boven

Ligging en betekenis

Terwijl de Nederlandse humanisten filosofeerden over de eigen identiteit, was in de noordelijke Bourgondische landen de notie tot één collectieve natie te behoren geenszins gemeengoed. (10) Onder Batavia werd dan ook nooit het gehele gebied van de (huidige) Nederlanden verstaan. De ligging van het land was daarentegen een onderwerp van veel discussie en inzet van een strijd tussen gewesten om de woonplaats te willen zijn van de Bataven met hun voortreffelijke eigenschappen. Hierbij ging men er als vanzelfsprekend vanuit dat er een directe continuïteit tussen heden en verleden bestond en dat de Bataven nooit waren weggeweest. (11)

Aurelius, die afkomstig was uit Gouda, stelde dat het volk van Holland direct afstamde van de roemrijke Bataven. Hiermee ging hij in tegen een andere humanist, Gerardus Geldenhouwer de Nijmegenaar (1482-1542), voor wie Batavia in de Gelderse Betuwe lag. Geldenhouwer had zich bekeerd tot het lutheranisme, in tegenstelling tot Aurelius en Erasmus, die hervormingen wilden doorvoeren binnen de Kerk. In zijn werk gaf hij een radicale versie van ideeën die van Erasmus afkomstig waren. Geldenhouwer kritiseerde elke vorm van kettervervolging, en zijn door Erasmus geïnspireerde vorstenspiegels bevatten soms zeer scherpe vermaningen om het nieuwe geloof te respecteren. (12) Met zijn Lutheranisme hing zijn gerichtheid op Duitsland samen. Hij distantieerde zich nadrukkelijk van de Italiaanse humanisten, en plaatste Batavia in een breder, Germaans verband.

Voor Cornelius Aurelius was Batavia niet groter dan Holland, en het Hollandse verleden vergeleek hij met het Hollandse heden. Zo benadrukte hij dat er in Batavia geen steden waren. Als kloosterling veroordeelde hij de enkel uit eigenbelang handelende steden van zijn eigen tijd, en liet Amsterdam buiten het gebied van Batavia vallen. In de oudheid zouden hier te lande slechts vrije boeren en vissers hebben geleefd, die geregeld samenkwamen om de vorst te adviseren over het bestuur. Daarnaast waren de Bataven volgens Aurelius zeer dapper, goede ruiters en zwemmers. Zij kenden geen overspel en een ondergeschiktheid van de vrouw.

Veel van deze algemene opmerkingen waren gebaseerd op uitspraken van Tacitus over de Germanen, die nu werden gezien als karakteristiek voor de Bataven alleen. Aurelius vond dat zijn tijdgenoten maar een slecht figuur sloegen in vergelijking tot hun voorvaderen. Hij hield de Hollanders, die hij wilde aansporen om een nieuwe kruistocht te ondernemen, de Bataafse daadkracht voor. Daarnaast kon het beeld dat hij schetste van de Bataafse vorsten de Habsburgse bestuurders van Holland tot lering strekken: zij traden gematigd op, als ‘vaders van het volk’, en waren steeds aanwezig in de hun toevertrouwde gebieden. 

naar boven

De opstand in de Nederlanden

In de tweede helft van de zestiende eeuw kreeg het calvinisme vaste voet in de Nederlanden. De ontevredenheid over de harde aanpak van afwijkende religieuze groepen verbond zich aan bestaande gevoelens van onvrede over de manier waarop Karel V en Filips II hun politieke raadgevers kozen. Toen de tegenstelling tussen de Habsburgse vorsten en hun Nederlandse onderdanen tenslotte resulteerde in een vrijheidsoorlog, won de strijd tussen de Bataven en de Romeinen aan zeggingskracht. Na 1580 werden de werken van Aurelius en Geldenhouwer herdrukt. Er ontstond nu een ware cultus rondom de Bataven, en de helden van de Nederlandse Opstand werden steeds vaker vergeleken met de Bataafse helden. (13) Dit is de reden dat op het schip de Batavia (1985) naast Civilis en Brinio, ook Willem van Oranje en Maurits een plaats hebben gekregen.

De officiële geschiedschrijver in dienst van de Staten van Holland, Hadrianus Junius (1511-1575), toonde in zijn ‘Batavia’ de oudheid van het gewest aan met schriftelijke bronnen. Het werk werd door Alva en zijn inquisitie met wantrouwen bezien en pas in 1588, onvoltooid, gepubliceerd. (14) Janus Dousa (Johan van der Does, 1545-1604, heer van Noordwijk), volgde Junius op als geschiedschrijver. Van der Does mengde zich aanvankelijk niet in de Opstand, maar gaf na 1572 zijn onvoorwaardelijke steun aan Willem van Oranje. Aan zijn ‘Bataviae Hollandia Annales’ (1601) leverde zijn zoon, Johan de Jongere (1571-1596), een grote bijdrage. De veelgeprezen ‘vrijheid’ van de Bataven neemt in dit werk een centrale plaats in. 

naar boven 

Interne tegenstellingen

In 1609 werd met Spanje het Twaalfjarig Bestand gesloten. Dit bestand hield de feitelijke erkenning van de Republiek in en de definitieve verdeling van de Nederlanden in noord en zuid. Het verdere verloop van de oorlog ging over de uiteindelijke begrenzing tussen die twee gebieden; de jonge staat zou niet meer in de grond van haar bestaan bedreigd worden. Het thema ‘Batavia’ behield echter een politieke lading in de Republiek, maar ging nu een rol spelen in de relatie tussen stadhouder en regenten. Deze verhouding moet op zijn minst moeizaam worden genoemd en leverde gedurende de hele zeventiende eeuw stof voor conflicten.

In 1618 verbond een hooglopend conflict binnen het calvinisme tussen de gematigde ‘rekkelijken’ en de meer orthodoxe ‘preciezen’ zich aan een politieke strijd tussen stadhouder Maurits en het machtige Holland. Dit gewest vond dat het op eigen wijze zijn religieuze politiek mocht invullen. Door een machtsgreep slaagden Maurits en de ‘preciezen’ erin Holland te verslaan. Een aantal Hollandse regenten werd op slot Loevestein vastgezet en de leider van de ‘rekkelijken’, raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt, werd ter dood gebracht.

Dit was echter geenszins het einde van de staatsgezinde partij. Men bleef het belang van de regenten in de zeventiende eeuw verdedigen, en zocht daarbij een historische legitimatie.

De toegenomen interesse voor Tacitus bracht niet alleen de Bataafse mythe met zich mee. De Romein inspireerde de regenten-literatoren Hugo de Groot (1583-1645) en P C. Hooft (1547-1626) toen zij gedachten opstelden over de meest gewenste politieke ordening van de staat. (15) Zowel Hooft als De Groot waren tegenstanders van de inmenging door orthodoxe calvinisten in staatszaken,en verdedigden de positie van de regenten. Beide konden echter het voordeel zien van een vorst die de binnenlandse tegenstellingen in toom hield. (16)

Vooral De Groot, wiens ontsnapping uit Loevestein beroemd is, wordt wel eens gezien als een voorloper van de latere staatsgezinde partij van Johan de Witt in het eerste stadhouderloze tijdperk (1650-72). Het politiek uitschakelen van het huis van Oranje was echter geenszins zijn doel. (17) Aan het begin van de eeuw hield de jonge De Groot zich bezig met het schrijven van een geschiedenis van de Nederlandse Opstand. In dit ‘Tractaet vande Oudheyt vande Batavische nu Hollandsche Republique’ (1610) is Batavia Holland en wordt de strijd van de Bataven tegen de Romeinen op één lijn gesteld met de Opstand. Volgens De Groot was Batavia/Holland van de oudheid tot zijn eigen tijd steeds onafhankelijk geweest. In tegenstelling tot Aurelius meent De Groot dat in Batavia wel reeds machtige steden bestonden. (18) De meest vooraanstaande burgers kwamen sinds onheuglijke tijden samen en bepaalden in overleg het bestuur. De Habsburgers hadden deze onafhankelijkheid met voeten getreden en daarmee de Opstand ontketend. De Groots in onze ogen weinig juiste beschrijving van Batavia was in wezen een terugprojectie van de situatie in het Holland van zijn eigen tijd. Met zijn betoog wilde De Groot de zelfstandige positie van de staten van Holland in de Zeven Verenigde Provinciën benadrukken: ‘Dese macht der Staten is gheweest het fundament van de Republique, de toevlucht van de ghelijckmatige gherechtigheydt, den toom van de Vorstelijcke Hoogheydt. (19)

Het klassieke treurspel ‘Baeto oft oorsprong der Hollanderen’ (1626) van Pieter Corneliszoon Hooft toont een variant van de Bataafse mythe, afkomstig van Aurelius en diens tijdgenoot de kroniekschrijver Johannes van Leiden, waarin overigens in Hoofts tijd nauwelijks meer geloofd werd. De oorsprong van Batavia zou liggen bij ene Baeto, een uit Duitsland afkomstige vorst. Deze maakte in het gebied van de Nederlanden een samenzwering ongedaan van zijn stiefmoeder Penta, gemalin van de koning der Catten. Hiermee kreeg hij het bewind over deze gebieden, waarna hij beloofde om in het vervolg in overleg met de staten te regeren. Hooft laat Baeto aan het einde van zijn stuk zeggen:

Ick sweer nae wys en wetten, d'heerschappije
By raadt van d'edelst' ende best' der burgerije
Te voeren over u, myn lieden: dien naar my
Met wien ghy 't houdt, voortaan uw naam Baethouwers zy. (20)

In 1626 moest deze gematigde vorst de nieuwe stadhouder Frederik Hendrik en diens zoon Willem tot voorbeeld dienen. Hooft's ideale heerser kwam ook naar voren in zijn studie van de Franse koning Hendrik IV, die uit vredesoverwegingen zelfs bereid was geweest zijn protestantse geloof af te zweren: ‘Hendrick de Groote’ (1626). De monarchale aspiraties van de eerdere stadhouder Maurits, Willem van Oranjes oudste zoon, werden op zich niet door Hooft veroordeeld. Maar wel dat hij zijn macht tijdens de religieuze conflicten van 1618/19 niet gebruikte om rust te brengen, maar om zijn politieke tegenspeler Van Oldenbarnevelt ten val te brengen.

Maurits’ broer Frederik Hendrik was daarentegen een bestuurder naar Hoofts hart, een ‘Baeto’: gematigd en verzoeningsgezind, met de bereidheid te luisteren naar de adviezen van regenten. Hij slaagde er in de status van het Huis van Oranje te verhogen, door het huwelijk van zijn zoon met een Engelse prinses en door zijn eigen positie in het landleger. Willem II, die hem in 1648 opvolgde, wist echter in de twee jaar dat hij stadhouder was de populariteit van zijn familie tot een dieptepunt te brengen. Zoals zijn oom probeerde hij een conflict met Holland, dat na het sluiten van de vrede met Spanje in Münster (1648) het leger wilde demobiliseren, te winnen door een militaire ingreep. Hoewel dit op een mislukking uitliep, had Willem de Staten van Holland goed de stuipen op het lijf gejaagd. Toen er na zijn dood in 1650 geen volwassen opvolger was, besloot men in een Grote Vergadering van de gewesten de Oranjes maar geheel af te zweren. Het eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650-1672) brak zo aan.

In deze tijd werd ook in de beeldende kunst de Bataafse mythe zichtbaar. Ten tijde van de vrede van Münster was het stadhuis van Amsterdam gebouwd, en men besloot de burgerzaal te behangen met schilderijen die de Bataafse strijders verbeeldden. De schilders Govert Flinck, Jan Lievens, Jacob Jordaens en Rembrandt van Rijn ontvingen hiervoor opdrachten.

Joost van den Vondel (1587-1679) verwoordde in 1659 zijn bewondering voor het werk van Flinck in een aantal gedichtjes. Niet lang daarna hield Vondel zich diepgravender bezig met Batavia, toen hij zijn drama ‘Batavische Gebroeders of onderdrukte vrijheid’ (1663) schreef. Het stuk beschrijft de laatste dag van de Bataafse opstand. "Claudius" Civilis, bij Vondel ‘Nicolaas Burgerhardt’ geheten, moet de moord op zijn medestrijder Julius Paulus meemaken en wordt aan het eind van het stuk geketend naar Rome gezonden. Met ‘Batavische Broeders’ sluit Vondel aan bij De Groot en Hooft en legt hij nadruk op de vrijheid van vorstelijke tirannie die de Bataven genoten. Het is waarschijnlijk dat Vondel andermaal de Bataafse mythe aangreep om iets te zeggen over zijn eigen tijd.

In datzelfde jaar 1663 naderde namelijk de zoon van Willem II, de latere Willem III, de leeftijd waarop eerder vorsten aantraden. Er gingen stemmen op om de jonge prins in een aantal van zijn traditionele bevoegdheden te herstellen. Vondel, die zeer verontwaardigd was geweest over het optreden van Maurits jegens Oldebarneveldt, wantrouwde deze hernieuwde populariteit van het Oranje-huis. Zijn ‘Batavische Gebroeders’ kan gelezen worden als een waarschuwing tegen het aanstellen van een nieuwe stadhouder. (21) Zoals eerder de Romeinse gouverneur Vitellius en de Spaanse koning Filips zou de zoon van Oranje de vrijheid van het Nederlandse volk bedreigen. Naar Vondels waarschuwingen zou niet geluisterd worden. Toen de Nederlandse Republiek in een benarde positie geraakte door de oorlog met Frankrijk in 1672, werd juist alle hoop op Willem gevestigd. Hij werd stadhouder in Zeeland en Holland, waarna raadpensionaris De Witt in Den Haag door Oranje-aanhangers werd vermoord. Hiermee had de Bataafse mythe voorlopig afgedaan als inspiratie voor de staatsgezinde partij.

naar boven

De Bataafse Republiek

De belangrijkste verbreiders van de Bataafse mythe in de 16de en 17de eeuw zijn thans ter sprake gekomen. Het zal inmiddels duidelijk zijn dat zij met hun weergave van Batavia dikwijls iets wilden zeggen over de politieke omstandigheden in hun eigen tijd.

Aan het einde van de achttiende eeuw bleek de Bataafse mythe nog niets aan zeggingskracht te hebben ingeboet. De radicale revolutionairen die in 1798 een staatsgreep pleegden zagen zichzelf als de nazaten van de Bataven, en schiepen de Bataafse Republiek. Evenals De Groot, Hooft en Vondel wilden zij de klassieke vrijheid van het Nederlandse volk in ere herstellen. Hiertoe achtten zij het noodzakelijk om de politieke structuur van de oude Republiek, die in 1795 ten onder was gegaan, te vervangen. Zowel de regenten in de vroedschappen als de stadhouders hadden afgedaan als vertegenwoordigers van het volk, en een vorm van democratie werd ingevoerd. Bij de hervormingen beriepen de revolutionairen zich vooral op de morele status van het Bataafse volk. Zij hadden daarbij een lange traditie achter zich. Zoals P.C. Hooft een eeuw eerder Tacitus’ uitspraak over Germanië vertaalde: " .vermoghen aldaer meer de goede zeden, dan elders de goede wetten." 

naar boven

 

Noten

  • (1) Ofwel: "Daar brengen de goede zeden meer tot stand dan elders de goede wetten" uit: P.C. Hooft’s vertaling van Tacitus’ Germania.
  • (2) Colenbrander, H.T. ed. Jan Pietersz. Coen–Bescheidenomtrent zijn bedrijf in Indië. deel I ('s Gravenhage 1919),blz 668.19)
  • (3) Wee, H. van der "De overgang van middeleeuwen naar nieuwe tijd", in: De Lage Landen van 1500 tot 1780. Schöffer e.a. ed. (Amsterdam 1988), blz 11–13.
  • (4) Een beschrijving van het ontstaan van de opstand van de'Batavi' is te vinden in Tacitus' "Geschiedenissen" (boek IVxii–xxv). Tacitus, The Histories–with an English translation by Clifford H. Moore, Loeb editie (Cambridge, Mass 1931),blz 20–49.
  • (5) Tacitus, The Agricola and the Germania , B. Radice ed.(Londen 1948), blz. 113–115 (G 14–16).
  • (6) Romein, J. "De functie van een historische fictie. De vermeende afstamming der Germanen uit Troje in verband met het begrip der translatio imperii", in: idem, Historische lijnen en patronen (Amsterdam 1971), blz. 13–22.
  • (7) Cornelissen, J.D.M. "Hooft en Tacitus" (1938) in: idem, De eendracht van het land. Cultuurhistorische studies overNederland in de zestiende en zeventiende eeuw (Amsterdam1987), blz. 65.
  • (8) Tilmans, K. Aurelius en de Divisiekroniek van 1517. Historiografie en humanisme in Holland in de tijd vanErasmus (Hilversum 1988), blz. 140–145.
  • (9) Philips, M.M. The 'Adages' of Erasmus–A study with translations, (Cambridge 1964), blz. 209–211 (vert MdH).
  • (10) Zie: Groeneveld, S. "Natie en nationaal gevoel in de zestiende–eeuwse Nederlanden", in: Scrinium et Scriptura. Opstellen betreffende de Nederlandse geschiedenis aangeboden aan Prof. dr. J L van der Gouw (Groningen 1980).
  • (11) Kampinga, H. De opvattingen over onze oudere vaderlandsche geschiedenis bij de Hollandse historici der XVIe en XVIIe eeuw (Den Haag 1917), blz. 62.
  • (12) Mout, M.E.H.N. "De humanist Gerard Geldenhouwer als raadgever van vorsten" in: De Nederlanden in de late middeleeuwen, D.E.H. de Boer en J W. Marsilje ed. (Utrecht1987), blz. 142–154.
  • (13) Schöffer, I. "The Batavian myth during the sixteenth and seventeenth centuries" in: J.S. Bromley, E.H. Kossman ed., Britain and the Netherlands V, Some political mythologies ('s Gravenhage 1975), blz 78–101; aldaar blz 88–90.
  • (14) Vermaseren, B.R. "Het ontstaan van Hadrianus Junius’ ''Batavia' (1588)" in: Huldeboek pater Dr. Bonaventura Kruitwagen O.F.M. ('s Gravenhage 1949), blz. 407–426.
  • (15) Cornelissen, "Hooft en Tacitus", De eendracht van het land, blz. 76.
  • (16) Ibidem, blz. 86–87.
  • (17) De Groot gaat hiermee vooral ook voorbij aan een overduidelijke opmerking in Tacitus' "Germania": 'Dat van de Germanen geene steden bewoont worden is kundigh genoegh'. P.C. Hooft, Boexken van Cornelius Tacitus–van de gelegenheit, zeeden, ende volken van Germaniën. ('sGravenhage 1942), blz. 34 (G 16).
  • (18) Groot, H. de, De oudheid van de Bataafse nu HollandseRepubliek, G.C. Molewijk ed. (Weesp 1988), blz. 39 (opdracht).
  • (19) Hooft, P.C. Baeto F. Veenstra ed. (Den Haag 1980),blz . 110–111.
  • (20) Cornelissen, J.D.M. "Vondel en de vrijheid in 1663"(1939) in: De eendracht van het land. (Amsterdam 1987),blz. 103–l25.
  • (21) Leeb, I.L. The ideological origins of the BatavianRevolution. History and poltitics in the Dutch Republic 1747–1800 ('s Gravenhage 1973), blz. 265–269.

 

Dit artikel is geïllustreerd en van noten voorzien gepubliceerd in Batavia Cahier 5, verkrijgbaar in de winkel op de Bataviawerf.

© Bataviawerf, Lelystad NL / Maarten de Haan

Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter

Tweet wordt geladen...
Volg op Twitter >

Laatste Facebook bericht wordt geladen...
Volg op Facebook >

Copyright 2009 Bataviawerf, Ontwikkeling & Realisatie PM Webdesign, Swifterbant
Volg ons op Twitter
Bekijk ons op Flickr
Bekijk ons op You Tube