Home|Contact   
Hoe en waarom voerde de VOC oorlog in Indië?
Hoe en waarom voerde de VOC oorlog in Indië?

 

Geld en geweld: Oorlogsvoering door de VOC

© Bert Westera

Sinds de eerste ronding van Kaap de Goede Hoop door Vasco da Gama in 1498 tot aan het einde van de 16de eeuw was de vaart op Azië een vrijwel uitsluitend Portugese zaak geweest. Zij waren er in geslaagd een reeks versterkte bases in handen te krijgen, waarmee de traditionele maritieme handelsroutes in Azië werden beheerst. Toen ook de Nederlanders zich naar de Oost begaven, aangelokt door de handel in peper en specerijen, was Portugal met Spanje verenigd onder één kroon en woedde de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) volop. Van de Iberische reactie op de bemoeizucht van de ketters en opstandelingen uit het noorden kon daarom het ergste worden gevreesd.

Pogingen in 1594-1596 om een noordelijke vaarweg naar Azië te vinden mondden uit in de overwintering op Nova Zembla maar bleven verder zonder bruikbaar resultaat. Via de Portugese weg om de Kaap slaagde in 1595-1597 een vloot van vier schepen er wel in om de Indonesische Archipel te bereiken. De bestemming van deze zogenaamde Eerste Schipvaart was het commerciële centrum Bantam op Java, waar men hoopte ongestoord handel te kunnen drijven. Anders dan gedacht verbleven er te Bantam toch Portugezen, maar dezen bleken weinig meer te kunnen doen dan proberen de Nederlanders in een kwaad daglicht te stellen bij de lokale autoriteiten. Op vele plaatsen in Azië bleek de Portugese macht beperkt te zijn of, zoals te Bantam, geheel in de schaduw te staan van inheemse vorsten.

Meerdere inderhaast opgerichte voorcompagnieën zonden hun schepen nu met succes om de Kaap. Tussen 1597 en 1602 kozen liefst 65 schepen onder Nederlandse vlag zee om in Indië handelswaar te halen, beduidend meer dan de 46 bodems die in deze tijd vanuit Lissabon naar de Oost voeren. Abrupt was er een einde gekomen aan het Portugese monopolie in de Europees-Aziatische handelsvaart.

naar boven

Handel, scheepvaart, oorlog

Commerciële oogmerken stonden bij het tot stand komen van de Nederlandse vaart op Azië voorop. Vanaf het begin verstrekte de belangrijkste voorcompagnie aan zijn admiraals instructies die louter op vreedzame handel waren gericht. Suggesties van overheden om soldaten in dienst te nemen voor oorlogsdoeleinden in de Oost werden van de hand gewezen.

Maar al te vredelievend moet het karakter van de vaart onder de voorcompagnieën toch niet worden voorgesteld. De gespannen verhoudingen tussen Portugezen en Nederlanders in Azië leidden regelmatig tot gewelddadige botsingen, met veelal een keten van represaille's tot gevolg. Ook het vooruitzicht op buit bracht menigeen in verzoeking. Al bij de Eerste Schipvaart kostte het de bevelhebbers grote moeite de schepelingen te weerhouden van het aanvallen van toevallig ontmoete Portugese schepen. Van inheemse volken kon niet enkel met zilver handelswaar worden verkregen, maar ook in ruil voor wapentuig. Tot het verlenen van militaire assistentie liet als eerste admiraal Steven van der Haghen zich overhalen, op Ambon in mei 1601. Dat het beleg van een Portugese vesting zonder succes bleef was minder belangrijk dan de in goede verstandhouding met de Ambonezen afgesloten verdragen en exclusieve contracten voor de levering van kruidnagelen! Tenslotte vond in december 1601 voor Bantam de eerste reguliere zeeslag plaats tussen Nederlandse schepen en een vloot uit Goa, uitgestuurd om het Portugese gezag in de Indonesische Archipel te herstellen. De Portugezen werden tot de aftocht gedwongen, waarbij ze op Ambon aangeland de bewoners zwaar deden boeten voor hun opstandigheid.

Een volledige oorlogssituatie in Azië tussen Nederlanders en Iberiërs was misschien onafwendbaar. Niettemin vormde bij de totstandkoming van de Verenigde Oostindische Compagnie in maart 1602 het wegnemen van de onderlinge concurrentie der Nederlanders nog de voornaamste reden. Het groeiend aantal uitgezonden schepen bezwaarde de inkoop in Azië terwijl de toenemende aanvoer in Nederland de verkopen onder druk zette. Maar daarnaast bestond ook de vrees dat de Nederlanders het handeldrijven onmogelijk zou worden gemaakt indien zij zich in Azië geen vaste voet verschaften. De bundeling van kracht in één bevoorrechte onderneming liet toe dat het karakter van de vaart op Indië een radicale wijziging onderging.

 naar boven

 

De VOC wil alles tegelijk

In december 1603 zeilde onder bevel van eerdergenoemde Van der Haghen voor de eerste maal een vloot uit onder de vlag van de VOC. Pas bij de opening in volle zee van zijn geheime instructies vernam de admiraal de oorlogszuchtige bedoelingen van de Compagnie. Hij was door de bewindhebbers opzettelijk onkundig gehouden van de opdracht een aanvallende oorlog te moeten gaan voeren. Bekendmaking van de instructies wekte grote beroering onder het scheepsvolk, waarvan velen niet hadden aangemonsterd om te gaan vechten. De ommezwaai van handelsvaart naar oorlogsvoering kwam voor menigeen als een complete verrassing.

Aanvankelijk ging de VOC de strijd overal tegelijk aan. De eerste vier vloten die in de jaren 1603-1607 uitzeilden kregen telkens opdracht een reeks belegeringen te ondernemen tegen de Portugese bases te Moçambique, Goa, Malakka en in de Specerij-eilanden (Ambon, de Banda-groep en de Molukken). Dergelijke alomvattende operaties bleken veel te hoog gegrepen. Slechts in de Indonesische Archipel al bij de eerste expeditie blijvend resultaat geboekt. Na via Moçambique en Goa Java te hebben bereikt, bereikten Van der Haghen berichten over de Portugese afstraffing van zijn oude bondgenoten op Ambon. Aangekomen op de plaats des onheils viel hem in februari 1605 zonder slag of stoot het modern versterkte Portugese fort ter plekke in handen.

Met Ambon verwierf de VOC zijn eerste territoriale bezit in Azië. Een paar maanden later werd de vijand ook verdreven uit de Molukken. Deze successen zouden meer betekenis hebben gehad indien de VOC effectief controle over het gebied had kunnen uitoefenen. Daartoe ontbrak het echter aan de middelen: de schepen moesten terug naar patria met retourladingen. Hierdoor konden de Spanjaarden vanuit de Filippijnen, waar zij zich omstreeks 1570 vanuit Amerika hadden gevestigd, een jaar later het Iberisch gezag in de Molukken herstellen. Toen de VOC zich ging richten op verkrijging van het specerijenmonopolie, betekende de Spaanse aanwezigheid in de regio een hinderlijk en kostbaar ongemak. 

naar boven

De VOC wankelt

De strijd die de VOC in de Oost op zich had genomen was lang niet iedereen naar de zin. Een deel van de aandeelhouders keerde zich af van de Compagnie. Sommigen uit vrees dat roof en kaapvaart de schade aan de handel niet zouden goedmaken, anderen, zoals de doopsgezinde koopman Pieter Lintgens, omdat zij zich niet konden verenigen met de krijgszuchtige methoden van de VOC. Ook binnenskamers raakte een aantal mensen ernstig teleurgesteld over de koerswijziging in de vaart op Azië. In 1608 verklaarden de vier voormalig bewindhebbers Fortuyn, Thomasz, Van Campen en Sem nadrukkelijk te zijn opgestapt vanwege het overvloedige geweldgebruik van de VOC.

Naar zou blijken moesten de aandeelhouders inderdaad nog lang wachten op dividenden. Alle beschikbare middelen werden in de beginjaren door de VOC aangewend voor de uitrusting van schepen en versterking van de posities in Azië. Dat was in de tijd van de voorcompagnieën, toen na elke equipage inleggeld en winst zo snel mogelijk aan de deelnemers werden uitgekeerd, heel anders geweest. Het protest tegen het monopolie van de VOC op de vaart naar Azië was nooit geheel verstomd, maar allengs klonk de roep om ontbinding van het bedrijf luider.

Het was voor de leiding van de VOC natuurlijk extra zuur dat er bij het ingaan van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) maar weinig was bereikt. Bovendien bleek Spanje niet van zins overzee de wapens neer te leggen. Daarom wendde de VOC zich tot de Staten-Generaal voor steun, er aan herinnerend dat men op aandrang van de overheden was overgegaan tot de strijd. Nu verklaarde de Compagnie zich van harte bereid diezelfde strijd over te dragen aan de Staten-Generaal, om van de oorlogslasten te worden bevrijd. Begrijpelijkerwijs voelde de regering hier weinig voor, al werd aan het geklaag van de bewindhebbers in zoverre tegemoet gekomen dat er vanaf 1609 subsidies in geld, schepen en oorlogsmateriaal werden verleend en het bedrijf bovendien werd afgeschermd van de protesten van ontevreden aandeelhouders tegen het gevoerde beleid.

Terzelfdertijd werden bestuur en strategie in de Oost herzien. Het oppergezag ging over van de admiraals van de elkaar opvolgende vlootuitrustingen op een permanente Raad van Indië met aan het hoofd een Gouverneur-Generaal. De activiteiten overzee moesten worden geconcentreerd op het verwerven van een volkomen specerijenmonopolie, "met tractaet ofte met gewelt". Deze dreigende taal betekende dat naast Ambon ook de Molukken en Banda onder het gezag van de VOC moesten worden gebracht.

naar boven

Het "principael hoofdpoinct"

Van het begin af aan hadden de Nederlanders in de onderhandelingen met de inwoners van de Specerij-eilanden getracht de levering aan derden bij contract uit te sluiten. Gestaag waren de overeenkomsten uitgebreid, waardoor bij het ingaan van Het Bestand de VOC vrijwel overal het formele alleenrecht bezat op afname van kruidnagelen, muskaatnoten en foelie. Maar door de aanwezigheid van Iberische vijanden, rivalen uit Engeland en talloze Aziatische kooplieden, leerde de werkelijkheid telkens anders.

Het meest gecompliceerd was de situatie in de Molukken. Door de traditionele vijandschap tussen de sultanaten van Ternate en Tidore, die respectievelijk met de Nederlanders en de Spanjaarden als bondgenoten een onderlinge strijd voerden, heerste er een algemene oorlogstoestand. In de Banda-groep speelden andere problemen. De wens om de inwoners tot nakoming van hun verplichtingen te dwingen door de aanleg van een fort was in 1609 uitgedraaid op het uitmoorden van een hoge Nederlandse onderhandelingsdelegatie. Dat betekende ook tussen de VOC en de Bandanezen sindsdien oorlog, aangezien de verschillende malen getekende vrede evenzovaak weer werd verbroken. In deze omstandigheden wisten uiteraard derden, voorop de Engelsen, beslag te leggen op een belangrijk deel van de produkten van Banda. Slechts te Ambon was het in deze jaren nog relatief vredig.

Waar tractaten ontoereikend waren ter handhaving van de alleenhandel, bestond nog de mogelijkheid van geweld. In de leiding van het bedrijf overzee bleken evenwel uitgesproken verschillen van inzicht te bestaan over de vraag tegen wie de VOC gerechtigd was geweld te gebruiken en tevens of gebruik van dit middel wel altijd beter zou bevallen dan de kwaal. Geen onduidelijkheid kon er bestaan over de houding die tegenover de erfvijand moest worden aangenomen. Het Bestand had overzee geen kracht en een felle strijd om de Molukken was het gevolg. Omvangrijke landingsoperaties brachten de vijand vanaf 1613 danig in het nauw, terwijl de VOC ook verschillende expedities uitrustte tegen Manilla, al bleven die in militair opzicht zonder veel succes.

Voerde de VOC met de Iberiërs regelrecht oorlog, veel moeilijker was het te bepalen hoe men zich tegenover de concurrerende Engelse East India Company diende op te stellen. "Wij sien UEdelen schrupuleux zijt omme ons op 't stuck van de Engelse claerder ende duydelicker last te geeven," verweet in 1614 de leiding in Azië de superieuren in Nederland. Het wijzen op de bestaande contracten zou de Engelsen en de inlanders de koophandel echt niet doen staken. Evenmin was de VOC in staat om in het uitgestrekte eilandenrijk ieder contact tussen de partijen te verhinderen. En natuurlijk was het niet zo dat, zoals de Heren Zeventien stelden, de VOC bescherming zou kunnen verlenen aan een inheemse bevolking die slechts middels geweld door de Engelsen tot handeldrijven zou zijn gebracht. De door de EIC aangevoerde goederen waren juist van harte welkom bij de inlanders. De Raad van Indië weigerde echter de verantwoording op zich te nemen voor de beslissing de wapens op te nemen. "Soo langck ick geen ander naerder ordre ende suffisanter commissie en sie", zo hield Gouverneur-Generaal Laurens Reael in 1616 de boot af, "sal ick soo lichtelijck tot de harde proceduyren, eerst tegens [de Engelsen] te gebruycken, niet connen resolveren."

Nu was het verlenen van een ondubbelzinnige opdracht tot het gebruik van geweld voor de bewindhebbers in Nederland ook niet eenvoudig. Enerzijds werden de Specerij-eilanden als een exclusief aan de VOC voorbehouden handelszone beschouwd, deels vanwege de met de inheemse vorsten gesloten overeenkomsten, deels vanwege verovering op de Iberische vijanden. Het uit dit territorium weren van alle concurrenten, niemand uitgezonderd, achtten de Heren Zeventien het "principael hoofdpoinct" in het beleid overzee. Maar anderzijds kon een hardhandig optreden in Azië ernstige gevolgen hebben voor de situatie in Europa, waar de Nederlandse Republiek steun van Engeland broodnodig zou hebben in de strijd tegen het machtige Spanje. Bovendien werden er sinds 1613 onderhandelingen gevoerd tussen de twee landen om de talloze wrijvingen op economisch terrein te beslechten. Ook de onderlinge rivaliteit in Azië vormde onderdeel van het overleg, waarbij verregaande samenwerking tussen de VOC en de EIC in het verschiet leek te liggen. Volgens Reael was dit ook een wenselijker oplossing "want soo de saecken dus voortgaen, wij sullen malcanderen lustich in de grondt seylen ende onse gemeene vijant, de Spaingart, sal wel stillekens in zijne vuyste lachen."

In Azië gingen de zaken echter van kwaad tot erger. Beide partijen lijkt het aan de wil te hebben ontbroken om escalatie te voorkomen. In 1615 liep een landingsoperatie van de VOC op Banda uit op een fiasco. De zegevierende inlanders bleken door de Engelsen van wapens te zijn voorzien! Ten bewijze werd een tweetal op de vijand buitgemaakte kanonnen door een woedende Directeur-Generaal Jan Pieterszoon Coen naar Nederland opgestuurd. Ook op Ambon zouden de Engelsen opstandelingen van wapens hebben voorzien. Praktijken die de VOC eerder tegen de Iberiërs had toegepast konden nu natuurlijk zelf onmogelijk worden getolereerd. Met Portugezen in Goa en Spanjaarden in Manilla viel te leven, aldus Coen, maar met Engelsen in de Indonesische Archipel niet. Hier beluisterden de bewindhebbers andere taal!

Echter nog voordat uit Nederland tenslotte de uitdrukkelijke opdracht was ontvangen om allen, de Engelsen incluis, zonodig "mett gewelt" uit de Specerij-eilanden te weren, was de Raad van Indië al overgegaan tot daden. Overal werd de Engelsen het verkrijgen van lading bemoeilijkt en werd hen te verstaan gegeven te vertrekken. Toen deze intimidatie de EIC er begin 1616 niet van weerhield wederom op Banda handel te drijven en twee der eilanden formeel in bezit te nemen, zond de VOC versterkingen die in februari 1617 na een kort gevecht twee Engelse schepen opbrachten. Met dit eerste doelbewuste handgemeen leek oorlog niet langer te vermijden.

Intussen moest de VOC ook een standpunt innemen ten aanzien van de inheemse bevolking van de Indonesische Archipel, die deels tot vriend, deels tot vijand was gemaakt. De instructies van de Heren Zeventien alle vreemde vaart uit de Specerij-eilanden te weren had ook betrekking op van oudsher aanwezige kooplieden uit bijvoorbeeld Java, China en India. Voor vele zaken, bovenal voedsel en kleding, waren de eilanders afhankelijk van importen. Vele honderden vaartuigen kwamen er jaarlijks om handel te drijven. Niet zonder reden waren de bewindhebbers er van overtuigd dat het specerijenmonopolie zo nimmer zou zijn te verwerkelijken. Maar de Raad van Indië had bezwaren tegen een algeheel vaarverbod, waarmee bestaande verdragen zouden worden geschonden. "Ick en sie niet," stelde Reael in 1617, "dat wij daertoe eenichsints cunnen wesen gerechticht, want Mijne Heeren en hebben alhier soodanige souvernayniteyt niet." Zelf had de Gouverneur-Generaal andere middelen aangewend om te trachten de vaart op de Specerij-eilanden te ontmoedigen, zoals het uitbetalen van het VOC-personeel aldaar in lokaal gewilde Indiase textielsoorten in plaats van in contanten. Het vergaan van het schip Aeolus dat de gewenste waar uit India had moeten aanvoeren was er mede debet aan dat Reael vooralsnog niet kon bogen op veel resultaat. De Heren Zeventien hielden echter vast aan uitvoering van hun bevelen, waarschuwingen voor de gevolgen negerend.

"Dit weren van de vreemde joncken maeckt ons overal soo odieus, dat het niet te gelooven is," berichtte Reael het jaar daarop. Niet enkel de vijanden van de VOC te Tidore en Banda, maar ook de bondgenoten te Ternate en Ambon werden getroffen. Vorsten bleven verstoken van inkomsten uit tollen en havengelden, inwoners gingen gebukt onder nijpende schaarste en woekerprijzen, de specerijenproduktie stortte in elkaar. Onlusten te Ambon en aanslagen te Ternate richtten zich tegen de VOC, die bij lange na niet in staat was zelf in alle behoeften te voorzien. Steven van der Haghen, nu de tweede man in Azië, waarschuwde met Reael voor economische ontwrichting van de gehele regio en stelde vast: "De Ternatanen willen van ons ontslagen zijn, omdat wij de Indische kooplieden weren. Dat is de voornaamste reden, waarom zij geen nagelen plukken."

De Heren Zeventien zagen geen aanleiding hun aanpak te herzien. In Coen hadden zij de man beluisterd naar hun hart. Met diens benoeming tot Gouverneur-Generaal, hetgeen in mei 1619 zijn beslag kreeg, werd in het optreden van de Compagnie in Azië het keerpunt bereikt. "Per experiëntie behoorden de Heeren wel bekent te wesen," zo had Coen de bewindhebbers voorgehouden, "dat in Indiën den handel gedreven ende gemainteneert moet worden onder beschuttinge ende faveur van U eygene wapenen, ende dat de wapenen gevoert moeten worden van de proffyten, die met de handel zijn genietende, in voegen dat den handel sonder d'oorloge, noch d'oorloge sonder den handel nyet en gemainteneert connen werden." Voortaan omhelsde de leiding in Azië dit beginsel zonder enige schroom. Voor andersgezinden was er niet langer plaats. Reael en Van der Haghen werden teruggeroepen naar Nederland. Ook iemand als Jan Dirckszoon Lam, door Reael bij zijn vertrek benoemd tot gouverneur van de Molukken, werd vervangen om zijn weigering op te treden tegen de inlandse handelsvaart. De inheemse bevolking moest en zou worden prijsgegeven aan de eenzijdige belangen van de VOC. 

naar boven

De VOC als souverein

Ook door Reael aanbevolen als "een persoon van grooten oordeel, neerstich ende cloeckmoedich" had Coen zich te Bantam als Directeur-Generaal vooral beziggehouden met het geven van leiding aan de handel. Hierbij had hij zich op Java bij de Engelsen zo impopulair weten te maken dat er reeds in 1616 dreigementen werden geuit "dat se mijn effigie aen de hoochste galg van Engelant sullen hangen." Ook de relaties met de inlandse heersers te Bantam en Jacatra waren al zeer slecht geworden toen Coen in 1618 veiligheidshalve begon met de aanleg van verdedigingswerken rond de Nederlandse handelspost. Juist in deze tijd deed de EIC grote uitrustingen en eind 1618 waren er te Bantam 15 Engelse schepen bijeen, gemachtigd tot schadeverhaal. Sinds de sluiting van de vaart op de Specerij-eilanden had de VOC nog twee schepen opgebracht van de Engelsen, die nu op hun beurt het Compagniesschip De Zwarte Leeuw namen, met aan boord overigens de jonge onderkoopman Francisco Pelsaert. Het volgende doelwit was de VOC-vestiging te Jacatra. Na een zeeslag in januari 1619 nam Coen de wijk naar de Molukken voor hulp. Het achtergebleven Nederlandse garnizoen had al toegestemd in capitulatie, toen dit op miraculeuze wijze werd voorkomen door eerst het uitbreken van onenigheid tussen de belegerende Engelsen en Jacatranen en vervolgens de interventie van Bantam, dat de eigen rekening met de VOC wilde vereffenen, maar alleen daar niet in wist te slagen.

In mei 1619 keerde Coen, nu Gouverneur-Generaal, terug met een vloot van 16 schepen om orde op zaken te stellen. Jacatra werd platgebrand en de VOC vestigde er het hoofdkwartier van de Compagnie in Azië, spoedig Batavia geheten. Het naburige Bantam kon niet tot een verdrag worden bewogen en werd daarom sedertdien tot 1659 vrijwel ononderbroken door Nederlandse schepen geblokkeerd. Van de Engelse vloot, die zich inmiddels had verspreid, werden er in de loop van het jaar zeven schepen veroverd. Verdere vijandelijkheden tussen de rivalen zouden niet zijn uitgebleven als niet in maart 1620 het bericht was doorgekomen dat er in Europa overeenstemming was bereikt tussen beide naties. Tot razernij van Coen gingen de VOC en de EIC alsnog samen! Zowel de kosten van oorlogvoering als de specerijen zouden via een bepaalde sleutel over de beide partijen worden verdeeld. De samenwerking bleek echter maar van korte duur. In beschikbare middelen veruit de meerdere liet de VOC zich weinig gelegen liggen aan de bondgenoot. Na een gezamenlijke expeditie tegen Manilla in 1620 waren de Engelsen al spoedig niet meer in staat bij te dragen aan de oorlogsinspanningen, terwijl ze ook maar mondjesmaat door de VOC werden voorzien van de hen toegezegde specerijen. Toen in 1623 te Ambon een tiental Engelsen overhaast door de VOC werd terechtgesteld op verdenking van het beramen van een aanslag, betekende dit het definitieve einde de samenwerking. Niet langer bereid alles op het spel te zetten, beperkte de EIC zijn activiteiten in de regio voortaan tot een minimum.

Onvervaard trok Coen inmiddels elders ten strijde. Vooral de situatie te Banda was hem een doorn in het oog. Hij stelde zich op het standpunt dat de Banda-eilanden vanwege contractbreuk en verraad aan de Compagnie waren vervallen, maar het gezag van de VOC werd hier openlijk getart. Na de mislukte expeditie van 1615 was er een jaar later weliswaar terreinwinst geboekt, maar de opdracht van de Heren Zeventien om Banda te onderwerpen "met uijtroeijinge van eenige eijlanden" was door de leiding in Azië afgewimpeld. Reael had geantwoord dat het de VOC "ondienstich zoude wesen een landt sonder inwoonders te besitten". Coen dacht er anders over. Een expeditieleger van 2.000 man nam in januari 1621 de sterkste nederzettingen op Banda in. De voornaamste Bandanezen werden wegens hoogverraad gemarteld en vervolgens door Japanse VOC-soldaten onthoofd en gevierendeeld. De bevolking, die door de maritieme blokkade reeds grote ontberingen had geleden, werd door de Nederlandse troepen tot in de bergen nagezeten. Wie niet door hongersnood, ziekte of wapengeweld was omgekomen werd gevankelijk weggevoerd. Maar weinigen wisten zich elders in veiligheid te stellen. Een eilandengemeenschap die aan het begin van de eeuw nog naar schatting 15.000 inwoners had geteld, had opgehouden te bestaan. Het laat zich raden dat op de spoedig herbevolkte eilanden de Compagnie voortaan een onbetwiste zeggenschap genoot over nootmuskaat en foelie.

Voort ging de VOC op de door Coen aangewezen weg. Ook in kruidnagelen was nog een monopolie te verkrijgen. Hiertoe legde de Compagnie zich toe op concentratie van de produktie in één plaats. Vanaf het midden van de jaren 1620 werden zogenaamde hongi-tochten georganiseerd voor de vernietiging van kruidnagelbomen en voedselgewassen in de moeilijk beheersbare Molukken. Zo werd de bevolking gedwongen elders zijn heil te zoeken. Tegelijkertijd werden de Ambonezen verplicht, niet alleen tot dienstdoen als roeiers tijdens de jaarlijkse hongi-tochten, maar tevens tot de kruidnagelteelt op het eigen Ambon, tegen eenzijdig door de VOC vastgestelde tarieven. Uiteraard was het verzet tegen deze door geen der inlanders gewenste veranderingen enorm. Vanaf 1633 kwam het tot openlijke oorlogvoering tussen de VOC en de inwoners van Ambon en de Molukken, een situatie die pas in 1656, na jaren van meedogenloze strijd, in het voordeel van de Compagnie werd beslecht. De inheemse samenleving van voorheen was vernietigd, de bevolking aan onnoembaar leed blootgesteld. Maar de VOC bereikte tenslotte wat het zich een halve eeuw eerder ten doel had gesteld.

Al onmiddellijk na de strafexpeditie tegen Banda had de Compagnie de steven reeds naar andere kwartieren gewend. Het eerstvolgend decennium zou in het teken staan van het streven de handel van het immense Chinese rijk open te breken. Naast de eigen scheepvaart hadden de Chinese autoriteiten slechts de Portugezen te Macao enige handel gepermitteerd. Met het veelbeproefde middel van geweld meende de Compagnie in staat te zijn de Chinese handel aan zich te trekken. Van enkel de uitschakeling van Macao koesterden de Nederlanders al de stoutste verwachtingen. De opbrengsten van de zijdevaart op Japan moest de VOC in staat kunnen stellen alle overige activiteiten in Azië te financieren! Tegen dit wenkend perspectief vermocht het protest van de bewindhebbers "ons ontbreken in India geen oorloogen" niets in te brengen.

De aanslag op Macao in 1622 werd een totale mislukking toen de Nederlandse kruitvoorraad werd geraakt. Met 130 doden moest de VOC het beleg opbreken. Er volgde twee jaar lang een terreurcampagne tegen de Chinese handelsvaart, wat leidde tot het verwoesten van tientallen dorpen en talloze jonken en de slavernij van honderden Chinezen, die in groten omkwamen bij de aanleg van een fort op de Pescadores, een groep eilanden tussen China en Formosa. Maar het inmiddels vertrouwde geweldgebruik had niet helemaal hetzelfde resultaat als in de Indonesische Archipel. In augustus 1624 verscheen een Chinese vloot van 150 jonken in de Pescadores. Een troepenmacht van 10.000 man omsingelde het door een paar honderd Nederlanders verdedigde fort. Het dringende advies van de Chinezen naar Formosa te verhuizen, gevoegd bij het aanbod tot toelating van een beperkte handel, werd door de Nederlanders wijselijk opgevolgd. Met beperkte handel wilde de Compagnie zich echter al gauw niet meer tevreden stellen. Vanaf Formosa werd het bestrijden van de jonkvaart hervat, waarbij de VOC op grote schaal gebruikmaakte van Chinese kapers. De pogingen zich met geweld meester te maken van de Chinese handel werden pas opgegeven nadat in 1632 een Nederlands eskader bij Amoy door de Chinese vloot roemloos uiteen was gejaagd. Het begon de VOC ten lange leste te dagen dat men zich met China niet kon meten. Beperkte handel was derhalve te verkiezen boven helemaal geen handel! Deze situatie kon daarna voortduren tot 1662, toen de VOC door de verliezers van een interne Chinese machtsstrijd van Formosa werd verdreven. 

naar boven

Tussen oorlogsvoering en bedrijfsvoering

De reeks van gewapende conflicten leidde in 1622 al tot een dringende vermaning uit het vaderland aan het adres van de leiding in de Oost. Dit was nu wel weer het andere uiterste! Oorlogen diende men te "myden ende excuseeren op 't hoochste sooveel als met behoudenis ende versekertheyt van de staet eenichsints doenlijck is, 't poinct van de reputatie ende achtbaerheyt, dat dick- ende menichmael scharp genomen wert, niet te hooch mickende, altoos gedenckende, dat ten onsen aensien (als coopluyden sijnde) die d'eere heeft, die wel ende niemant gewelt oft onrecht doende, 't proffijt heeft." Voor verdere uitbreiding van het getal vijanden leende zich noch de financiële toestand van de Compagnie, noch de politieke situatie in Europa, waar intussen de oorlog met Spanje weer was voortgezet. Uit de volkerenmoord op Banda trokken de bewindhebbers ook hun conclusies.
"Laet het eens ende genoegh wesen. Wy hadden wel gewenst, dattet met gematichder middelen hadde connen beslist werden. Sy hebben haer voorgaende trouloosheyt dier genoech betaelt. 't Sal wel soo geseyt is, ontsagh, maer geen gunst baren. Die'r veel doet vresen, moet veel vresen."
Die woorden bleken geen onjuiste inschatting van de situatie. Op Java moest de Compagnie zich voortdurend teweerstellen tegen vijandige mogendheden als Bantam en vooral het in deze tijd sterk in macht toenemende Mataram, dat al in 1628 en 1629 Batavia in twee opeenvolgende belegeringen het vuur na aan de schenen legde.

De bezwaren van de bewindhebbers tegen voortdurende oorlogsvoering richtten zich vooral op de gevolgen hiervan voor de bedrijfsvoering. Uitgaven voor verdedigingswerken, garnizoenen, patrouilles, belegeringen en wat al niet meer, bespaarde men zich liever. Met "hooge conincklijcke consepten" tot het vestigen van een koloniaal rijk had de leiding in Nederland weinig op. Zeker niet op een moment dat de aandeelhouders zich weer duchtig roerden.

Coen keerde tussen 1623 en 1627 in het vaderland terug voor overleg. Zijn herbenoeming maakt duidelijk dat het tot een wezenlijke wijziging van het beleid niet kwam, ook niet nadat hij in 1629 was overleden. Geweld bleef een recept voor uitbreiding van het bedrijf. Na in de Chinese handel het maximaal haalbare te hebben bereikt richtte de VOC zich vanaf 1636 op de overige Portugese bezittingen. Bij een gelijktijdige blokkade van Goa bezweek Malakka tenslotte in 1641. Verschillende vestingen op Ceylon vielen tussen 1638 en 1640 voor een bondgenootschap van Nederlanders en de troepen van het inheemse Kandy, alvorens in 1658 de Portugezen definitief van het eiland werden verdreven. De VOC kon zich toen verheugen in weer een monopolie: dat in kaneel. In 1663 was ook de nabijgelegen Malabarkust in India van vijandelijke vestingen gezuiverd. Het Portugese rijk in het Verre Oosten had nagenoeg opgehouden te bestaan. 

naar boven

Besluit: geld en geweld

Hoewel het bovenstaande overzicht anders zou kunnen doen geloven, was geweld toch nooit de enige taal die door de VOC in Azië werd gesproken. Menig Aziatisch vorst liet niet met zich spotten. De macht van China leerde de Compagnie op de harde manier kennen. In het Indiase Mogolrijk beperkte de VOC zich tot commercie en ook te Japan beseften de Nederlanders van meet af aan dat wapengekletter zinloos zou zijn voor het bevorderen van de Compagnieshandel. Toen de VOC onverstandig genoeg eind jaren 1620 trachtte de via Formosa verlopende handel van Japan op China te belemmeren, leidde dit in Japan onmiddellijk tot represaille's. Vier jaar lang konden de schepen van de VOC Japan nog wel in, maar niet meer uit. Voortaan zong de Compagnie er een ander deuntje.

Na de stormachtige eerste decennia van zijn bestaan evolueerde de Compagnie gaandeweg tot een meer vreedzame handelaar en vervoerder. Het bedrijf bereikte zijn grootste omvang eerst in de achttiende eeuw. Als wegbereider van het kolonialisme stond de VOC niet alleen. Spanjaarden en Portugezen waren de Nederlanders voorgegaan, Engelsen, Fransen en anderen bleven niet achter. Voor allen gold dat zij wat ze zochten betaalden waar nodig, maar namen als het kon. Geld en geweld vormde de Europese export naar Azië.

De machtsontplooiing van de Nederlanders gold vooral de Indonesische Archipel, waar de VOC de omringende vorstendommen en sultanaten alsook de Europese tegenstanders met succes kon bevechten. De vestiging van het specerijenmonopolie was voor de inheemse bevolking niets minder dan catastrofaal. Opmerkelijk genoeg vertegenwoordigden militaire leiders als Laurens Reael, Steven van der Haghen en Jan Dirckszoon Lam de terughoudende stroming in het bedrijf voor wat betreft de interventie in de Aziatische maatschappij. De koopmansgeest van bewindhebbers en Jan Pieterszoon Coen bleek daarentegen bereid tot uitersten van geweldgebruik. Ware het niet zo geweest dat de bemanning de maan in het water meende te zien schijnen bij de Houtman Abrolhos, dan hadden in 1634 ook de vuurmonden van de Batavia van pas kunnen komen bij het beschieten van de muren van het naburige Bantam, om "door verspreydinge der vermorselde steenen de inwoonderen... te meer des canons cracht te doen gevoelen."

© Bataviawerf, Lelystad NL/ Bert Westera 

Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter
Volg ons op TwitterVolg ons op TwitterVolg ons op Twitter

Tweet wordt geladen...
Volg op Twitter >

Laatste Facebook bericht wordt geladen...
Volg op Facebook >

Copyright 2009 Bataviawerf, Ontwikkeling & Realisatie PM Webdesign, Swifterbant
Volg ons op Twitter
Bekijk ons op Flickr
Bekijk ons op You Tube